Er zijn films die je niet loslaten, en Sukkwan Island is er daar één van. De verfilming van David Vanns gelijknamige novelle, geschreven en geregisseerd door Vladimir de Fontenay, grijpt je bij het nekvel. De Fontenay neemt je mee naar de uitgestrekte wildernis van Alaska, waar een vader en zijn tienerzoon een jaar lang samen proberen te overleven en verbinding te zoeken. Niet alleen met de natuur, maar ook met elkaar.
Het vertrekpunt lijkt haast idyllisch: Tom neemt zijn dertienjarige zoon Roy mee op een jaarlange trip naar een afgelegen deel van Alaska, weg van de beschaving in een poging tot verbinding nadat hij en Roys moeder uit elkaar gingen en hij vertrok. De Fontenay slaagt erin dat meteen visueel kracht bij te zetten. De natuurbeelden zijn ronduit prachtig: eindeloze bossen, mistige fjorden en een stilte die zowel troostend als dreigend aanvoelt. Alaska is hier niet alleen decor, maar ook medeverteller en Amine Berrada, die instond voor de cinematografie, weet dat met verbluffende beelden te onderstrepen.
Maar onder dat schone oppervlak van Sukkwan Island sluimert iets donkers. Vrij snel wordt duidelijk dat Tom niet zozeer naar zijn zoon op zoek is, maar eerder naar zichzelf — en dat die zoektocht allesbehalve gezond verloopt. De relatie tussen vader en zoon, al gecompliceerd door een roerige thuissituatie met de moeder, kantelt geleidelijk van ongemakkelijk naar ronduit toxisch. Swann Arlaud, die eindelijk echt bekend werd bij het grote publiek met het Oscar-genomineerde Anatomy Of a Fall, speelt Tom als een man die manipuleert, en zijn zoon stilzwijgend dwingt om bij hem te blijven door zijn eigen kwetsbaarheid als wapen in te zetten. Arlaud vertolkt die broosheid met ingehouden intensiteit: een man die zijn medicatie weggooit in de stille hoop dat zijn ex-partner terugkomt, die zijn kwetsbaarheid als wapen inzet en die de werkelijkheid naar zijn hand probeert te zetten terwijl hij er zelf steeds verder in wegzakt. Je begrijpt hem, en net dat maakt hem zo ongemakkelijk om naar te kijken.
Tegenover hem staat Woody Norman als Roy, en het is zijn prestatie die de film écht draagt. Norman toont een jongen die stap voor stap beseft dat hij zijn vader niet kan redden, en dat hij zichzelf dreigt te verliezen als hij het blijft proberen. De film laat die keuze nooit goedkoop aanvoelen. Elke keer dat Roy besluit te blijven, begrijpen we waarom. Elke keer dat hij erover nadenkt te vertrekken, begrijpen we dat ook.
De natuur weerspiegelt die instabiliteit feilloos. Een aanval van een beer brengt een eerste breukmoment, maar het is de reactie van Tom — die roekeloos achter het dier aan gaat — die het meest onthullend is. Later volgt een ernstig ongeluk waarbij hij valt en door Roy thuisgesleept moet worden, zonder dat er een noodrakettenpistool binnen handbereik blijkt te zijn. In een andere context zou dit vader en zoon nader tot elkaar brengen; hier voelt het als nog een extra reden om weg te lopen.
Sukkwan Island is geen gemakkelijke of perfecte film, maar wel een noodzakelijke. Het einde, dat rechtstreeks komt van de novelle is ideaal voor het concept van de geschreven tekst, maar werkt niet evengoed in de film. Maar uiteindelijk is het een indringend portret van vaderschap dat misloopt, van zelfbedrog dat anderen meesleurt, en van de moed die het kost om los te laten — van een plek, van een relatie, van de hoop dat iemand zal veranderen.